Groep/raster


De groep/rastertheorie van Mary Douglas   (versie 0.6.2)

We kunnen met het statusmodel naar de statusdynamiek van organisaties, culturen en subculturen kijken. Voor deze schaalvergroting maken we een vertaling van organisatiestructuur naar statusdynamiek.

Er zijn verschillende modellen ontwikkeld om de menselijke samenlevingen en organisatievormen te typeren. We besteden hier aandacht aan een veelgebruikt model van de antropologe Mary Douglas 1982. Zij ontwikkelde in de jaren tachtig van de vorige eeuw een vergelijkende methode die groep/raster analyse heet.

Het model van Douglas laat zien hoe statusdynamiek samenhangt met de aard en structuur van organisaties.

Het model wordt nog steeds in de organisatiekunde gebruikt.

(Bij Cameron & Quinn (1999) zie je in hun model van concurrerende waarden dezelfde kwadranten. Zij gaan uit van andere assen in hun kwadrant, maar de overeenkomsten in beschrijving zijn frappant.)

Groep/raster: twee dimensies

De theorie van Douglas typeert hoe mensen zich tot elkaar en tot de wereld verhouden. Zij onderscheidt twee dimensies: de groep en het raster. Beide dimensies kunnen sterk (hoge score) of zwak (lage score) zijn.

Groep

Een hoge score op de dimensie groep betekent dat de groepsbinding sterk is en de groep grote invloed heeft op het gedrag.

Raster

Naarmate de score op de dimensie raster hoger is, neemt het belang van regels toe.

Groep/raster: de vier kwadranten

Figuur 1 Groep/raster: de vier kwadranten

De twee dimensies genereren vier typen kwadranten, zoals hierboven weergegeven. Hieronder lichten we in het kort de vier kwadranten toe.

A – zwakke groep / zwak raster

In deze samenleving voelen mensen zich niet sterk met elkaar verbonden als groep. Men is individualistisch en competitief ingesteld.

Bijvoorbeeld: de zakenwereld. De zakenman is gericht op hogerop komen en wenst zo min mogelijk door regels beperkt te worden.

B – zwakke groep / sterk raster

Ook deze samenleving kent weinig groepsbinding. De losse individuen hebben weinig macht. In elke samenleving zijn groepen aan te wijzen waarin individuen nauwelijks met elkaar verbonden zijn en afhankelijk zijn van machten op afstand.

Bijvoorbeeld: deze kenmerken waren op vrouwen van toepassing vóór het vrouwenstemrecht bestond. Anno nu zijn er mensen die afhankelijk zijn van een uitkering, maar daar geen enkele zeggenschap over hebben.

C – sterke groep / sterk raster

Deze samenleving houdt van regels en structuur en kent een sterke hiërarchie. De wereld en de eigen (bureaucratische) organisatie zijn geordend en moeten aan regels gehoorzamen.

Bijvoorbeeld: de overheid en veel grote (commerciële) organisaties.

D – sterke groep / zwak raster

Deze samenleving wordt gekenmerkt door een sterk besef van goed en kwaad, van groepsgenoten en buitenstaanders. De groepsleden ondersteunen een niet-hiërarchisch wereldbeeld. Samen strijden ze als gelijken voor het goede doel, zoals het milieu of een geloof.

Bijvoorbeeld: milieuorganisaties en religieuze bewegingen. We 'gaan' allemaal voor hetzelfde doel, waaraan we dienstbaar zijn.

Groep/raster en statusgedrag

Het model van Douglas beschrijft de sociale interacties die voortvloeien uit een keuze voor sterke of zwakke score op de dimensies.

De combinatie van de beide dimensies vereist een specifiek statusgedrag om de posities van het individu en de groep te realiseren.

De vier statusvoorkeuren die we onderscheiden, staan in onderstaande figuur. In elk kwadrant komen we een dominante statusbeweging tegen.

Groep/raster: de kwadranten in termen van status

Figuur 2 Groep/raster: de kwadranten in termen van status

Dat wil niet zeggen, dat er geen andere statusbewegingen voorkomen of mogelijk zijn. In het boek en op deze pagina's hebben we de schaalvergroting van status beschreven. De kern van dit 'uitzoomen' is dat details steeds verder naar de achtergrond verdwijnen, naarmate we de entiteit of de observatieperiode groter maken. Het gevolg is dat we algemene, dominante patronen kunnen herkennen.

De dominante statusbewegingen zijn functioneel voor het betreffende kwadrant en zorgen voor een adequaat functioneren van het geheel. We zetten hieronder de statusbewegingen per kwadrant op een rij.

A – zwakke groep / zwak raster

Zichzelf verhogen

Men schaamt zich er niet voor de top te willen bereiken. Het is de ondernemerskwaliteit die Nederlanders vaak missen. In Nederland geldt het motto: 'Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg'. Iemand die zichzelf verhoogt, steekt zijn hoofd boven het maaiveld uit.

In de Verenigde Staten vinden we dit patroon vaker dan bij ons. We vinden deze Amerikanen competitief en over-zelfverzekerd. Het land heeft een sterke ondernemerstraditie.

B – zwakke groep / sterk raster

Zichzelf verlagen

De ander heeft de macht, dus als we ons niet schikken (= in een lagere status positioneren), lopen we schade op.

Individuele burgers zitten in zo'n positie ten opzichte van (overheids)instanties.

C – sterke groep / sterk raster

De ander verlagen

In principe is er niets mis met de bureaucratie. We hebben haar de rol toebedeeld om anderen regels op te leggen. Deze regels structureren en beperken andermans vrijheid. Het komt neer op het verlagen van de ander: 'U doet wat wij (= de regels) zeggen.'

D – sterke groep / zwak raster

De ander verhogen

In dit kwadrant streeft men naar gelijkheid. Men tracht de interne statusdynamiek te elimineren door hem naar buiten te verleggen.

Statusbeweging, ontsporing en interventie

Het model van Douglas legt de statusvoorkeur van verschillende organisatievormen bloot. Wanneer deze voorkeur voor een van de statusbewegingen te dominant wordt, is het patroon disfunctioneel of pathologisch. We bespreken kort de pathologie van twee van de kwadranten.

Pathologie kwadrant A – Kwadrant A heeft als functioneel gedrag de zelfverhoging. Wanneer het zichzelf verhogen doorslaat en dominanter is dan waar de context om vraagt, is er sprake van pathologie.

Het disfunctioneel worden van het patroon kan het resultaat zijn van een compensatie van statusverlaging elders. De zelfverhoging kent geen grenzen. Derden hebben hieronder te lijden en keuren de niet passende zelfverhoging af. Zij hebben het idee dat zij niet als waardevolle mensen gezien worden, maar als 'productiepoppetjes'. Een autoriteitsconflict ligt in het verschiet.

Pathologie kwadrant C – Kwadrant C heeft als functioneel gedrag de verlaging van de ander. (Zie ook deze pagina.)

Slaat dit door, dan verstart de hoge status. Deze verstarring is dodelijk voor initiatief en creativiteit van medewerkers. De meeste mensen ervaren zo'n verstarring van overheden als 'burgertje pesten'.

De wrijving die door deze verstarring veroorzaakt wordt, vult programma's als Kassa en Radar.

Interventie bij pathologie

De pathologieën van de kwadranten geven op hun beurt weer richting bij de keuze van interventies. Gedrag van organisaties en groepen komt voort uit het individuele gedrag van de groepsleden. Dat betekent dat interventies niet op groep, organisatie of organisatiestructuur als zodanig gericht kunnen worden.

Interventies moeten gericht zijn op het gedrag van het individu en de individuën samen in relatie tot de structuur. Een interventie alleen of hoofdzakelijk op de structuur richten, laat de pathologie bestaan of stuurt het individuele gedrag naar een nieuwe pathologie: een pathologie die bij de nieuwe structuur hoort.

Let's Get In Touch!


© Stultiens & Stultiens