TA


Transactionele analyse   (versie 0.5.1)

De meeste mensen denken bij transactionele analyse (TA) aan de verdeling van de persoonlijkheid of het Ik in Ouder, Volwassen en Kind. Deze indeling (of beter: samenstelling van het Ik) is slechts een deel van TA. TA is vooral de analyse van communicatie op basis van deze zijnswijzen. TA analyseert de transacties tussen mensen.

Een transactie is de eenheid van sociale omgang, het is prikkel <---> reactie. Iemand zegt of doet iets en geeft daarme een transactionele prikkel af. De reactie van de ander hierop is de transactionele reactie. TA is de analyse van deze communicatie.

TA onderscheidt in haar structuuranalyse drie zogenaamde 'ik-zijnswijzen': de Ouder, de Volwassene en het Kind. Het zijn geen rollen die mensen spelen. Alle zijnswijzen zijn een psychologische werkelijkheid. We stellen ze kort voor.

Ouder, Kind, Volwassene en pathologie

De Ouder

De Ouder omvat de aangeleerde levensopvatting, de regels waaraan zich te houden, wat wel en wat niet mag, wat moet, hoe te handelen. De Ouder ontstaat in de eerst vijf tot zeven levensjaren en representeert wat we vanaf onze vroegste jeugd hebben geleerd van onze eigen ouders of verzorgers. Het zijn de registraties van gebeurtenissen in de buitenwereld.

Al die regels konden we echter als kind niet relativeren. Daarom zijn ze sterk gegeneraliseerd. Het is ook informatie die nodig was of is om te overleven.

De Ouder maakt veel reacties automatisch. We doen iets 'omdat het zo hoort'. We hoeven er niet over na te denken. We hoeven ook niet elke situatie opnieuw helemaal te analyseren en dat scheelt een hoop werk.

De Ouder kan ook goed functioneren of creativiteit in de weg staan door te nadrukkelijk te reguleren en te verbieden.

De Volwassene

De Volwassene is de analyticus en noodzakelijk voor het voortbestaan. Hij verwerkt allerlei gegevens uit de buitenwereld en laat daar a.h.w. berekeningen op los. Hij registreert, maar is ook in staat te onderzoeken en te toetsen. Daardoor kan de Volwassene de juiste beslissing nemen. Daarnaast regelt hij het handelen van Ouder en Kind en bemiddelt tussen hen. De Volwassene is de objectieve zijnswijze.

De Volwassene ontstaat vanaf een kind ongeveer 10 maanden is.

Het Kind

Zoals de Ouder 'ontstaat' uit registratie van externe gebeurtenissen, zo registreert het Kind juist interne gebeurtenissen. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld gevoelens, reacties op interne en externe gebeurtenissen, etc. Enerzijds zijn er de natuurlijke behoeften die gevoelens oproepen, zoals eten en drinken. Anderzijds zijn er externe dingen die een kind meemaakt. Het wordt gewaardeerd, beloond of gestraft.

Van iemand die in zijn gedrag wordt overheerst door gevoelens zeggen we dat zijn Kind op dat moment de overhand heeft. Het verstand verliest het van emoties. In het Kind leven echter ook de spontaniteit, de creativiteit, de verbazing, het (durven) onderzoeken. Het Kind schept en kent vreugde. Nieuwsgierigheid, blijdschap of het scheppen van nieuwe dingen horen ook bij het Kind.

Pathologie

In het ideale geval is er een harmonische samenwerking tussen de drie zijnswijzen. Er is dan balans. Iemand reageert vanuit de Ouder, de Vowassene of het Kind als dat zo hoort of kan. Er kan echter ook sprake zijn van onbalans. Dan is een zijnswijze te dominant aanwezig of juist onvoldoende ontwikkeld.

Het statusmodel en TA verschillen

In TA onderscheidt men diverse transacties en niveaus. Waar mensen met elkaar communiceren, communiceren de zijnswijzen met elkaar. A kan vanuit zijn Ouder het Kind in B aanspreken, bijvoorbeeld door hem terecht te wijzen. B reageert vanuit zijn Kind en spreekt de Ouder van A aan (afbeelding 1).

A: "Heb je alweer mijn horloge kwijtgemaakt? Dat gedrag van jou tolereer ik niet."

B: "Ik wilde alleen maar opruimen. Ik doe het ook nooit goed."

A en B kunnen ook met hun Volwassene de Volwassene van de ander aanspreken. (afbeelding 2):

A: "Weet je waar mijn horloge is? Ik kan het nergens vinden."

B: "Ik heb het met opruimen in de la gelegd."

In beide voorbeelden is sprake van complementaire transacties.

afbeelding 1

Afbeelding 1
Complementair: Ouder-Kind

afbeelding 2

Afbeelding 2
Complementair: Volwassene-Volwassene

Kruistransacties

Een andere transactiemogelijkheid is de kruistransactie. Bij type I spreekt A met zijn Volwassene de Volwassene van B aan. B reageert echter vanuit zijn Kind (afbeelding 3):

A: "Weet je waar mijn horloge is? Ik kan het nergens vinden."

B: "Ik wilde alleen maar opruimen. Ik doe het ook nooit goed ."

Bij type II spreekt A als Ouder en reageert B als Volwassene (afbeelding 4):

A: "Heb je alweer mijn horloge kwijtgemaakt? Dat gedrag van jou tolereer ik niet."

B: "Ik heb het met opruimen in de la gelegd."

afbeelding 3

Afbeelding 3
Kruistransactie type I

afbeelding 4

Afbeelding 4
Kruistransactie type II

Transacties en niveaus

In TA onderscheidt men diverse transacties en niveaus. Waar mensen met elkaar communiceren, communiceren de zijnswijzen met elkaar. A kan vanuit zijn Ouder het Kind in B aanspreken, bijvoorbeeld door hem terecht te wijzen. B reageert vanuit zijn Kind en spreekt de Ouder van A aan (afbeelding 1).

A: "Heb je alweer mijn horloge kwijtgemaakt? Dat gedrag van jou tolereer ik niet."

B: "Ik wilde alleen maar opruimen. Ik doe het ook nooit goed."

A en B kunnen ook met hun Volwassene de Volwassene van de ander aanspreken. (afbeelding 2):

A: "Weet je waar mijn horloge is? Ik kan het nergens vinden."

B: "Ik heb het met opruimen in de la gelegd."

In beide voorbeelden is sprake van complementaire transacties.

afbeelding 1

Afbeelding 1
Complementair: Ouder-Kind

afbeelding 2

Afbeelding 2
Complementair: Volwassene-Volwassene

Kruistransacties

Een andere transactiemogelijkheid is de kruistransactie. Bij type I spreekt A met zijn Volwassene de Volwassene van B aan. B reageert echter vanuit zijn Kind (afbeelding 3):

A: "Weet je waar mijn horloge is? Ik kan het nergens vinden."

B: "Ik wilde alleen maar opruimen. Ik doe het ook nooit goed ."

Bij type II spreekt A als Ouder en reageert B als Volwassene (afbeelding 4):

A: "Heb je alweer mijn horloge kwijtgemaakt? Dat gedrag van jou tolereer ik niet."

B: "Ik heb het met opruimen in de la gelegd."

afbeelding 3

Afbeelding 3
Kruistransactie type I

afbeelding 4

Afbeelding 4
Kruistransactie type II

Verschillende niveaus

Naast de verschillende transactie onderscheidt TA het sociale en het psychologisch niveau, ofwel de ogenschijnlijke en de bijbedoeling. Op het ene niveau communiceren A en B vanuit een andere zijnswijze met elkaar dan op het andere niveau.

We kunnen een combinatie maken van de eerdere voorbeelden. Op sociaal niveau communiceren A en B als Volwassene:

A: "Weet je waar mijn horloge is? Ik kan het nergens vinden."

B: "Ik heb het met opruimen in de la gelegd."

De bijbedoeling van A en B is anders:

A: "Heb je alweer mijn horloge kwijtgemaakt? Dat gedrag van jou tolereer ik niet."

B: "Ik wilde alleen maar opruimen. Ik doe het ook nooit goed."

afbeelding 5

Afbeelding 5
Verschillende niveaus

A vindt eigenlijk dat B van zijn horloge af moet blijven, terwijl B zich onjuist bejegend voelt (zie afbeelding 4).

De transacties en niveaus leveren tezamen talrijke combinaties op. Hierbij zij opgemerkt dat transacties met bijbedoelingen weer worden onderverdeeld in hoekige en tweevoudige typen.1

Dominante statusbewegingen

Op het eerste gezicht lijken de zijnswijzen elk een dominante statusbeweging te hebben. De Ouder heeft iets met hoge status, het Kind met lage status. De Volwassene heeft dynamiek. Maar zo eenvoudig ligt het niet, integendeel. De drie zijnswijzen van TA hebben niets met hoge of lage status.

Hoge en lage status zijn slechts posities, momentopnames. Het gaat in het statusmodel om beweging en dynamiek. In TA zit ook dynamiek, maar geen dominante statusbeweging. We zullen van enkele kenmerkende gedragingen van Ouder, Volwassene en Kind bekijken hoe zij in het statusmodel passen.

De transacties en niveaus maken de zaak nog wat complexer. Daar gaan we later op in. Nu eerst een statusanalyse van de zijnswijzen op zich.

Ouder en statusdynamiek

Bij de Ouder hoort bijvoorbeeld het stellen van regels. De dominante statusbeweging van de Ouder lijkt daarmee het verlagen van de ander ('dat mag niet', 'doe dit', 'doe het zoals ik het zeg'). De Ouder heeft met al die regels de functie om (zelf)verhoging in toom te houden. De Ouder stelt ook eisen aan zichzelf, moet iets van zichzelf. Dat staat gelijk aan zelfverlaging.

Ouder

statusbeweging

eisen stellen

ander verlagen (of grenzen stellen aan verhoging)

zelfbeperking

zelfverlaging

ik moet ...

zelfverlaging

jij moet ...

anderverlaging

Volwassene en statusdynamiek

De Volwassene wikt en weegt, kan belangstelling opbrengen, verantwoordelijkheid nemen of empathie voelen. Belangstelling hebben voor een ander is in wezen de ander verhogen. Het betekent ook een bereidheid tot zelfverlaging, maar de anderverhoging is hier dominant.

Verantwoordelijkheid en empathie zijn wat complexer. Uitgangspunt is de bereidheid tot zelfverlaging en anderverhoging.

Bij de Volwassene is het moeilijk gedrag of een handeling te koppelen aan een statusbeweging. Er is eerder sprake van een combinatie van statusbewegingen, dynamiek.

Volwassene

statusbeweging

belangstelling

anderverhoging (evt. zelfverlaging)

verantwoordelijkheid

bereidheid tot zelfverlaging en anderverhoging

empathie

bereidheid tot zelfverlaging en anderverhoging

Kind en statusdynamiek

Bij het Kind komt nog iets anders kijken, namelijk de beleving. Gevoelens horen bij het Kind. Naar aanleiding van een gevoel kan iemand reageren, maar het gevoel zelf is de beleving van een situatie. Als we ons gefrustreerd voelen, verlaten of angstig, dan beleven we een statusverlaging.

We kunnen ook uiting geven aan zulke gevoelens. Dat kan op verschillende manieren. We kunnen ons afreageren. Dan wordt de anderverlaging de dominante statusbeweging. We kunnen ook stilletjes in een hoekje gaan zitten. Nu is er sprake van zelfverlaging.

Het Kind kan echter ook verhogen. Een ander graag helpen om aardig gevonden te worden, is de ander verhogen.

We zetten enkele voorbeelden op een rij.

Kind

statusbeweging

gevoelens van b.v. frustratie, verlatenheid, angst, paniek

beleving van statusverlaging

uiting geven aan gevoelens van frustratie, verlatenheid, angst, paniek

afhankelijk van gedrag: anderverlaging of zelfverlaging

ander helpen om aardig gevonden te worden

anderverhoging (mogelijk met iets te veel zelfverlaging)

Zijnswijzen en statusdynamiek

We kunnen ons als Ouder, Volwassene of Kind gedragen. Vergelijken we TA met het statusmodel, dan zien we dat er geen sprake is van één dominante statusbeweging bij de zijnswijzen.

We moeten niet vergeten dat we voor het bepalen van statusbewegingen naar het concrete gedrag moeten kijken. Het Kind is bijvoorbeeld in staat tot zelfverlaging, anderverlaging en anderverhoging. Bij alles hoort specifiek gedrag. Dat gedrag moeten we 'lezen', niet de zijnswijze.

Transacties, niveaus en status

Kijken we naar de transacties (complementair, kruis), dan komt daar het concrete gedrag van Ouder, Volwassene en Kind tot uiting. Daarvan kunnen we de statusdynamiek analyseren. Nemen we de twee niveaus in aanmerking, dan krijgen we een probleem. Concreet gedrag kunnen we in termen van status beschrijven. Wat iemands bijbedoelingen zijn, is echter niet waarneembaar. Daar kunnen we slechts naar gissen.

De lezer zal nu protesteren: "maar ik zie toch duidelijk dat hij iets anders bedoeld?" En dat ziet de lezer waarschijnlijk goed. Als er sprake is van verschillen in sociaal en psychologisch niveau, is dat zichtbaar in het concrete gedrag. Dat gedrag is dan incongruent.

Er zijn signalen die ons de indruk geven dat iemand de ander of zichzelf verlaagt. Andere signalen laten juist blijken dat zelfverhoging of anderverhoging de actuele statusbewegingen zijn. Juist de combinatie, deze incongruentie, geeft ons het idee dat er wat dingen door elkaar lopen.2

Het statusmodel en TA verschillen

Bovenstaande laat zien dat TA, of een zijnswijze, niet overeenkomt met een statusbeweging of een statuspatroon van het statusmodel. Zowel Ouder, Volwassene als Kind kunnen meerdere statusbewegingen toepassen. Welke zij kiezen, zien we in hun concrete gedrag. Det verschillende soorten transacties en niveaus maken het nog moeilijker om de modellen met elkaar te vergelijken.

Het statusmodel geeft ons de mogelijkheid om individuele transacties, combinaties ervan - ongeacht het niveaus of het type - en patronen uit TA te beschrijven. Omgekeerd - statusbewegingen of -patronen beschrijven aan de hand van TA - wordt moeilijker, zo niet onmogelijk.

De praktijk leert dat vrijwel iedereen direct weet wat we bedoelen met de vier statusbewegingen. Daarnaast kunnen we met status de details van patronen, het concrete gedrag, analyseren en beschrijven. Ook dat doen we aan de hand van de vier statusbewegingen. De beschrijving aan de hand van status maakt ook expliciet waar (op gedragsniveau) de oplossing van een probleem ligt.

Status is de taal waarmee we de geïsoleerde momenten kunnen beschrijven, alsook de patronen die ze tezamen vormen. We kunnen deze taal op elk willekeurig abstractie- of analyseniveau gebruiken. Hierdoor blijven verbanden tussen de verschillende niveaus behouden, dit in tegenstelling tot TA.

1In afbeelding 5 zien we een hoekige transactie. Bij een tweevoudige transactie zou de bijbedoeling zich op het niveau van Kind <---> Kind of Ouder <---> Ouder afspelen.

2In ons boek gaan we in hoofdstuk 3 nader in op incongruentie (p.45-46). In dit verband is het ook interessant te kijken naar het concept van inhouds- en betrekkingsniveau versus informatiekanalen (p.42-43).

Let's Get In Touch!


© Stultiens & Stultiens